|
OM TOT REGTE KENNIS VAN ZAAKEN TE KOMEN!
De satire Het leven en sterven van een
hedendaagsch aristocraat (1798) van Gerrit Paape
nader beschouwd
Peter Altena
In 1798 verscheen Het leven en sterven van een
hedendaagsch aristocraat van Gerrit Paape (1752-1803)
die, volgens de titelpagina, `het Frans vrij gevolgd' had.
Pas in1985 werd deze politieke satire van de briljante
veelschrijver Paape aan de vergetelheid ontrukt door
P.J.Buijnsters die een herdruk van de tekst bezorgde in de
Griffioen-reeks. In het nawoord bij de herdruk, veronderstelt
Buijnsters dat tekst en auteur het slachtoffer geworden zijn
van een moedwillig vergeten. Met zijn herdruk heeft
Buijnsters Het leven en sterven van een hedendaagsch
aristocraat en Gerrit Paape de kans op een mooie revanche
gegund.
De Griffioen kende een bescheiden succes. In De Groene
Amsterdammer werd opvallend ruime aandacht besteed aan de
herdruk. Historici die de afgelopen jaren publiceerden over
de omwentelingen van 1787 en 1789, voerden de herontdekte
Paape als kroongetuige op en met graagte maakten zij gebruik
van de herdruk. In de meeste beschouwingen wenste men meer:
op een biografie, een bibliografie en de heruitgave van
bepaalde werken werd aangedrongen.
Deze desiderata maken goede kans nog lang desiderata te
blijven, als het aan de neerlandici ligt. De
klein-neerlandistieke territoriumdrift maakt dat iedereen
zich afzijdig houdt als één geleerde zich over
een bepaalde auteur ontfermt. Terwijl de gigantische omvang
van het oeuvre van Paape juist smeekt om meer handen.
In deze bijdrage richt ik mij op Het leven en sterven van
een hedendaagsch aristocraat. De herdruk heeft de tekst
bijzonder toegankelijk gemaakt. Wat Buijnsters over de tekst
schreef, biedt mij een goede gelegenheid om op onbesproken
aspecten van de satire in te gaan.
Het leven en sterven van een hedendaagsch aristocraat
beschrijft opkomst en val van een tot op het bot verwende
Willem. Het adellijk ventje ontwikkelt zich, dankzij een
gebrek aan opvoeding, tot een jonge aristocraat wiens wil wet
is. Willem ontmoet enige tegenwerking, o.a. van een patriotse
schoolmeester die hem bij zijn adellijke oren vat en hem een
schop voor zijn `adelijk achterkwartier' geeft, maar
doorgaans wordt dankzij de nodige smeermiddelen aan Willems
grillige wensen tegemoet gekomen. Willem wordt niet als
slechterik getypeerd: omstandigheden hebben van hem een
domoor gemaakt.
Slecht wordt Willem pas na zijn ontmoeting met de listige
Anna die hem tot snode politieke chicanes verleidt. De
aristocraat Willem gaat zich uitgeven voor patriot om niet
getroffen te worden door het politieke onweer van de
burgerlijke revolutie, sterker nog, om onder patriots mom
`groter aristocraat te worden dan immer te voren'. Willem
slaagt in zijn opzet en zijn revolutionaire ijver brengt hem
zelfs in contact met Robespierre. Robespierre draagt zijn
geestdrift voor de helse machine van de guillotine op Willem
over. Willem introduceert de guillotine in het huishouden, in
zijn keuken worden daarmee `vogels of dieren van hun
respectieve hoofden ontlast'. Aan het slot van het boek slaat
`de rechtvaardigheid des hemels en des volks' echter
onverbiddelijk toe: aan het schrikbewind van Robespierre komt
een einde en Robespierre zelf wordt onthoofd. Van deze
hardhandige ingreep van de `eeuwige rechtvaardigheid' schrikt
Willem zich letterlijk dood. Het `tafelguillotinetje' voor
keukengebruik wordt tot brandhout gekapt `eer het lijk van
Willem nog koud was geworden'.
In zijn nawoord schrijft Buijnsters dat Paape het in zijn
satire gemunt heeft op de `aristocraten'. De gedachte aan een
politieke sleutelroman waarin de lotgevallen van Willem V
verhuld geschetst worden, wordt door de editeur krachtig
weersproken. Evenmin mogen we de `aristocraten'
vereenzelvigen met de adel. Nee, de giftige pijlen van Paape
zijn gericht op `een gehate kliek van onverbeterlijke
egoïsten', aldus Buijnsters. Die boeven kregen de
scheldnaam `aristocraten' in 1798, behalve door Paape, ook
door Wolff en Deken naar hun hoofd geslingerd.
Deze bepaling van de slachtoffers van de satire van Paape is
niet erg bevredigend. Daarvoor klinken er in de aanduiding
die Buijnsters geeft, te veel polemische tonen mee. Men zou
willen weten wie die `aristocraten' dan zijn.
Het manco van Buijnsters' interpretatie van Het leven en
sterven van een hedendaagsch aristocraat wordt
veroorzaakt door een triviale omstandigheid: de datering van
de tekst. Over het jaar van verschijnen bestaat uiteraard
geen misverstand, maar 1798 is zo'n turbulent jaar dat een
situering van de tekst in dat jaar te globaal is om bij de
interpretatie werkelijk houvast te bieden. Liefst twee
staatsgrepen telde 1798 en wie met de ene staatsgreep
instemde, keurde de andere af. De staatsgreep van 22 januari,
die radicale patriotten als Pieter Vreede en Wybo Fijnje op
het pluche bracht, werd na enkele maanden, op 12 juni,
gevolgd door een coup onder leiding van Herman Daendels, de
maarschalk van Holland. Die tweede staatsgreep maakte een
eind aan het `Schrikbewind' van Vreede c.s. en daarmee aan
het revolutionaire radicalisme van de Bataafse Republiek. De
gematigde krachten kregen in juni de overhand en luidden een
periode van restauratie in.
De eerste staatsgreep die zijn maecenas, vriend en
geestverwant Wybo Fijnje aan de macht bracht, kon op de
luidruchtige steun van Paape rekenen, terwijl de omwenteling
van juni 1798 niet alleen Fijnje en Vreede trof, maar ook de
man die zijn lot zo nauw verbonden wist met dat van Fijnje.
Paape, die de eerste staatsgreep nog toejuichte, koos na de
tweede - als na de smadelijke nederlaag van de patriotten in
1787 - voor literaire en wijsgerige ballingschap en
formuleerde vervolgens zijn bezwaren tegen de geest van de
eeuw.
Voor een goed begrip van Het leven en sterven van een
hedendaagsch aristocraat is het daarom noodzakelijk te
weten in welke maand van 1798 de tekst precies verscheen. Dan
is het mogelijk te bepalen op welke kennis van de politieke
actualiteit de satire een beroep doet.
Het antwoord op die vraag is te vinden in de Friesche
Courant. Zoals bekend, was Paape als held van de Bataafse
revolutie op 6 september 1796 benoemd tot raadsheer bij het
Hof van Friesland te Leeuwarden. Paape, weliswaar geschoold
door het leven en de revolutie, kon niet bogen op juridische
kwalificaties. Dit gebrek, dat hij deelde met enkele andere
raadslieden bij het Hof, wreekte zich in 1797 toen het Hof
zéér revolutionair, maar, juridisch gezien,
nogal dubieus reageerde op het volksoproer in Kollum. De
hardhandige bestrijding van dat Oranje-getinte oproer wekte
vooral bij gematigde patriotten grote afkeer. De
gerechtelijke actie in Leeuwarden werd vergeleken met de
gruwelen van het Jacobinisme. Paape, die als raadsheer
verantwoordelijkheid droeg voor de onderdrukking van het
oproer, liet zich in de Friesche Courant niet
onbetuigd. De afrekening met de opstandige `Oranje-slaaven'
had hij niet alleen als gezagsdrager mogelijk gemaakt,
bovendien schreef hij in de Friesche Courant
pathetische verslagen en verzen, die in felle kleuren de
snode opstandelingen en de nobele verdedigers van het
vaderland schilderden. Oók keerde hij zich in de
Friesche Courant tegen de smadelijke vergelijking met de
Jacobijnen en verdedigde hij de maatregelen die het Hof van
Friesland genomen had.
Aan de carrière als raadsheer kwam op 12 oktober 1797
een voortijdig einde, zoals Buijnsters meedeelt. Zijn
betrokkenheid bij het neerslaan van het `Collumer oproer' en
zijn journalistieke verdediging ervan zullen aan dat
échec niet vreemd zijn. Ook in nationaal verband ziet
men in 1797 matiging in de mode raken en de radicale
patriotten naar de achtergrond gedrongen. Hoewel zijn
officiële rol in Friesland uitgespeeld leek en Paape
zich naar Den Haag begaf, blijft zijn aanwezigheid in de
Friesche Courant onmiskenbaar. Al was het maar omdat
nieuw werk van Paape er trouw in wordt aangekondigd. De
uitvoerige berichten van de Haagse correspondent, die in de
Friesche Courant verschijnen, verraden bovendien de
signatuur van Paape.
De Friesche Courant deelde met Gerrit Paape - of
moeten we zeggen: door Paape - het enthousiasme voor de
radicale staatsgreep van 22 januari.
Behalve lof voor het nieuwe bewind en duistere portretten van
de afgezette machthebbers vinden we in de Friesche
Courant na de staatsgreep nog een andere blijk van
instemming met de coup van 22 januari. Het vignet van de
krant bevat kort na die belangrijke datum een veelzeggende
afbeelding van een knots, die neerdaalt op enkele zieltogende
wolven. De knots, die herinnert aan de tot mythe geworden
vrijheidsstrijd van de oude Bataven, is voorzien van de datum
22 januari 1798. In de radicale staatsgreep herleeft verloren
gewaande moed. De wolven symboliseren de verscheurende
`Tweedragt' waarmee sinds kort afgerekend is.
De Friesche Courant van dinsdag 20 maart 1798 bevatte
twee berichten die goed documenteren dat de staatsgreep van
22 januari ook op lagere niveaus effect sorteerde. Was Gerrit
Paape in oktober 1797 in ongenade gevallen, op die 20ste
maart kon gemeld worden dat het Uitvoerend Bewind der
Bataafse Republiek goedgevonden had `de Burger Gerrit
Paape' te benoemen `tot Eerste Commis bij een der
Bureaux van het Agentschap van Nationaale Opvoeding'.
Dat de bordjes verhangen waren, bleek nog uit het vervolg dat
het Kollumer oproer kreeg. De krant meldde dat Jan Binnes,
die begin 1797 als enige oproerkraaier geëxecuteerd was,
zich erover beklaagd had dat hij `daar er zo veele neffens
hem aan den zelfden gruwel van Oproermaaking schuldig waren,
alleen ter dood gebragt, en dus het Slagtoffer onder zo
veelen zou worden!' Onvermeld bleef dat men van meer
executies werd afgehouden door het reusachtig rumoer, dat de
terechtstelling verwekt had, en de verwijdering van radicalen
uit rechtsprekende colleges. Nu de radicalen weer aan de
macht waren, kon de vertwijfelde uitroep van Jan Binnes
serieus genomen worden. Op zaterdag 17 maart had het Hof van
Justitie `aan den wensch der diestyds beledigden Frieschen
Volks wederom RECHTVAARDIG [...] voldaan' en Salomon Levy de
doodstraf doen ondergaan.
|
De Nederlandsche Aristocraat (Atlas van Stolk,
Rotterdam, nr. 4602). Of we in het bolle gezicht dat
van Willem V mogen herkennen? Deze afbeelding, die
wordt gedateerd op 1785, toont een `aristocraat' met
talloze attributen van heerszucht en bedrog, waaronder
MACHIAVEL als lijfboek.
|
|
Hoewel Gerrit Paape in 1798 in 's-Gravenhage woonde, lijkt
zijn rol in Friesland en in de Friesche Courant
allerminst uitgespeeld. Mogelijkerwijs trad hij als Haags
correspondent op. In elk geval wordt voor al zijn werken in
deze krant geadverteerd. Matthijs Koon, die de Friesche
Courant `in de groote Kerkstraat te Leeuwarden' uitgaf,
adverteerde in nummer 52 van dinsdag 1 mei 1798 van zijn
krant, dat bij hem te koop was:
HET LEVEN EN STERVEN VAN EEN HEDENDAAGSCHE
ARISTOCRAAT, groot Octavo, met deszelfs Portret en
kleuren; behelzende veele Satyres en waarheden, die het
Volk weeten moet, om tot regte kennis van zaaken te komen;
door GERRIT PAAPE uit het Fransch vertaald. De Prijs is 25
stuivers.
De advertentie, die in enkele daaropvolgende afleveringen van
de Friesche Courant herhaald werd, plaatst de satire
van Paape in een tijd, die hem welgevallig moet zijn geweest.
Hem was juist een nieuw ambt gegund en in het radicale
Uitvoerend Bewind zwaaiden zijn geestverwanten de scepter.
Dat de politieke satire van Gerrit Paape een `happy end'
kent, behoeft niet te verbazen als men weet dat de satire
eind april 1798 het licht zag. Auteur was de kersverse
`eerste commis' van het `Agentschap van Nationaale
Opvoeding'.
Toen Buijnsters in zijn nawoord bij de herdruk het slot van
de satire zwak noemde en daarbij wees op het onloochenbare
feit dat eind 1798 de door Paape gehate aristocraten vaster
dan ooit in het zadel zaten, veronachtzaamde hij de politieke
actualiteit, waar Paape in zijn satire een beroep op deed. De
satire van Paape verscheen niet eind 1798 en in Het leven
en sterven van een hedendaagsch aristocraat is de
desillusie van eind 1798 dan ook afwezig.
Kennis van het moment van verschijnen van de Willem-biografie
helpt bij de bepaling van de identiteit van de zo ongunstig
getypeerde aristocraten.
Na het voorafgaande zal het wel niet verbazen dat de satire
zich richt tegen de `aristocraten', die door de staatsgreep
van 22 januari terzijde waren geschoven. Wie waren die
`aristocraten'? De Friesche Courant van zaterdag 27
januari 1798 liet aan een verslag van de omwenteling vele
opgewonden woorden voorafgaan: `Leeve voor altoos de
Bataafsche Republiek. Triumph voor alle waare Revolutionaire
Vaderlanders'. De overwonnen vijanden zijn `de Aristocraten
en Foederalisten, die het volk bederven, om des te veiliger
te kunnen overheerschen'. Gezegd wordt dat het land verloren
zou zijn geweest als men nagelaten had `de Aristocraatische
Foederalisten van hunne troonen' te laten tuimelen.
De aristocratische Willem, deze `hedendaagsche' aristocraat
staat in werkelijkheid dus voor de federalisten, die het
vóór 22 januari voor het zeggen hadden. Zo
conformeert Het leven en sterven van een hedendaagsch
aristocraat zich aan de nieuwe status quo. Paape
propageert het nieuwe bewind door de perfiditeit van het
voorgaande te beschrijven, de staatsgreep van 22 januari
draagt in de satire het kleed van de `eeuwige
rechtvaardigheid'. De satire van Paape vervulde een
duidelijke functie in de nieuw ontstane politieke
werkelijkheid. Propaganda voor het nieuwe bewind was geen
overbodige luxe. Het kon geen kwaad de eigen positie wat te
versterken door de tegenstander zwart te maken.
Met deze bepaling van het mikpunt van Het leven en sterven
van een hedendaagsch aristocraat is alleen iets gezegd
over het doel van de satire, nog weinig over de satirische
middelen. Het is duidelijk welke politieke uitspraak Paape
met zijn satire doet, maar hoe de satire hem daarbij hielp,
staat nog te bezien.
Daarbij wil ik de definitie hanteren van Jürgen
Brummack. In diens visie wordt de satire gekenmerkt door
`Angriff und Indirektheit'. Van betekenis is dat in Brummacks
omschrijving de aanval een norm veronderstelt, die
uitdrukkelijk geformuleerd kan zijn, maar ook impliciet kan
blijven.
De aanval geldt in Het leven en sterven van een
hedendaagsch aristocraat zonder enige twijfel de
`aristocraten'. Een nadere bepaling van de identiteit van de
`aristocraten' ontbreekt in de tekst, maar voor de
eigentijdse lezer van de satire was zonneklaar dat daarmee
gemikt werd op de machthebbers van vóór de
staatsgreep van 22 januari. Waar de Friesche Courant
de overwonnenen direct bij de naam noemt, wordt in de satire
voor een indirecte aanpak gekozen. De lezer diende de
hoofdpersoon Willem te substitueren.
Wat wordt de `aristocraten en federalisten' van het type
Willem ten laste gelegd? De gewraakte doodzonde is bedrog:
volksbedrog door fraai klinkende leugens. De aristocraten
zeggen wat men wil horen, om zo hun schandalige ambities
beter te kunnen najagen. Willem is wezenlijk een aristocraat,
niet slecht, maar dom. Hem wordt het bedrog bijgebracht door
Anna die dat op haar beurt van de doortrapte hoogleraar
Breinkas geleerd had. Wat Willem zegt, is niet langer wat hij
meent. Zo wordt Willem slecht èn populair. Mooie
revolutionaire woorden verhullen de pijnlijke waarheid. Het
bedrog, dat Willem en met hem de aristocraten pleegden, werd
in de Friesche Courant de aristocratische federalisten
al eerder verweten: in het nummer van zaterdag 27 januari
heette het dat zij het volk bedierven, om het `des te
veiliger te kunnen overheerschen'. Het verlangen naar macht
deed de aristocraten omzien naar populistische middelen: het
volk werd verwend en daarmee willoos gemaakt.
Dat is wat de radicale patriotten in 1797 hadden ondervonden,
toen ze langzamerhand terrein verloren aan de federalisten.
Dat stond ze tegen in de methoden van de federalisten. De
staatsgreep van 22 januari had de politiek gezuiverd van
dergelijke bedriegers en hun methoden.
Op verschillende manieren wordt in Het leven en sterven
van een hedendaagsch aristocraat het bedrog van de
`aristocraten' satirisch vergroot.
In de eerste plaats door de typische aristocraat te
verbeelden als adellijk zoontje. Weliswaar attaqueert Paape
in zijn satire niet de adel, maar het adellijk kleed van de
aristocratie vormt een doeltreffende diskwalificatie. Alle
adellijke zonden passeren de revue: het extreme
standsbewustzijn, dat geridiculiseerd wordt door het in het
absurde toe te passen op lichaamsdelen (`burgerlijke
vingers',` burgerlijke borst' en `adellijke oren' en een
`adellijk achterkwartier'), de maatschappelijke nutteloosheid
en sociale schadelijkheid van de adel (Willem vernielt de
landerijen van de boeren en leidt als student het leven van
een lichtmis) en de adellijke gewoonte om met geld te kopen
wat met verstand en recht niet verworven kan worden. Een
academische titel en onsterfelijke roem koopt Willem, maar in
het geheim weten de `eerste ministers van staat' dat de
beroemde academicus een verwaande gek is `die voor zijn
gouden rijders en dukaten de naam van gestudeerd en geleerd
gekocht en gebedeld heeft'. Door de `aristocraten' te vangen
in adellijke clichés wordt de politieke rol van de
`aristocratische' federalisten flink in diskrediet gebracht.
De aristocratische misdaad wordt behalve door associatie met
de adel nog vergroot door een voor alle oplettende lezers
zichtbare vergelijking met de vijand van alle patriotten: het
Oranje-huis in het algemeen en Willem V in het bijzonder.
Willem ís niet Willem V, maar de voornaam van de
`hedendaagsche aristocraat' suggereert in 1798 wel degelijk
de nodige gelijkenis. Het geschreven portret van de onnozele
Willem, willoos werktuig van het kwade, lijkt niet toevallig
op dat van Willem V. De naam van zijn echtgenote, Anna,
herinnert sterk aan die van de moeder en voogdes van Willem
V, prinses Anna van Engeland, uit het huis van Hannover.
Tenslotte meen ik in de scène, waar Willem thuis
ontvangen wordt na mishandeling van zijn oren en achterwerk
door de patriotse schoolmeester, echo's op te vangen van de
aanhouding in 1787 van prinses Wilhelmina bij
Goejanverwellesluis. De jurist, die door de ouders van Willem
geconsulteerd wordt na de schoolmeesterlijke actie, roept
uit: `Ik begeer de uitgestrektste satisfactie die men in
dergelijk een geval, in zulk een schreeuwend affront, begeren
kan!'. Vroeg de broer van Wilhelmina, de koning van Pruisen,
na de beledigende aanhouding in 1787 niet om `eclatante
satisfactie'? Dat de gelijkenis tussen Willem en Willem V,
tussen het leven van de `hedendaagsche aristocraat' en dat
van de Oranjes, eerder gesuggereerd wordt dan expliciet
uitgesproken, past bij het indirecte van de satirische
aanval.
Indirect is ook de derde manier van satirische vergroting van
het aristocratisch bedrog. De ministers van staat, die weten
dat Willem een verwaande gek is, noemen hem juist daarom de
man, die zij hebben moeten, want:
hij is geenszins bestand om onze kunstenarijen te
ontdekken of te ontduiken, en dit is zeer goed om hem tot
een werktuig van onze heimelijke bedoelingen en oogmerken
te maken.
Die `aristocratische' praktijk om medemensen te gebruiken
voor verborgen doeleinden wordt in de satire vooral beoefend
door Anna. Over haar heet het:
Reeds hebben wij gezegd dat de freule sterk aristocratisch
was en dat het derhalve (want de hedendaagse zin van dat
woord sluit ook dat denkbeeld in) haar zeer weinig of
niets kon schelen welke middelen zij in het werk stelde om
haar adellijke oogmerken zeker en spoedig te bereiken.
Die gewetenloosheid, door Paape met de nodige weerzin
`staatkundig' genoemd, stond ook toen - al dan niet terecht -
bekend als Machiavellisme. De naam van de Florentijn wordt in
de satire van Paape niet genoemd, maar in tal van politieke
prenten en polemische beschouwingen is Machiavelli zo vaak de
helse raadgever, de theoreticus van het politieke
volksbedrog, dat bij het lezen van de satire de gedachte aan
Machiavelli onwillekeurig zal zijn opgedoken.
|
Gerrit Paape (Atlas van Stolk, Rotterdam, nr.
4820 679). Dit portret maakt deel uit van de
`Verzameling van Afbeeldingen van Nederlandsche Mannen;
beroemd geworden, wegens hunne Moed en Burgerliefde in
de jongstledene Beroerten', een revolutionaire
portrettengalerij uit 1795.
|
|
Het Machiavellisme, de gelijkenis met leden van het
Oranje-huis en de verheffing in de adelstand van de
`aristocraten' versterkten het infame karakter van de ten val
gebrachte federalisten.
Tenslotte wil ik er nog op wijzen dat in patriotse literatuur
het leugenachtige machtsstreven gold als de kardinale ondeugd
van de vorsten. In het pamflet Aan het volk van
Nederland beweert Van der Capellen dat het streven naar
macht en het plegen van bedrog de vorsten aangeboren was.
Geloof me! het bedriegen en veinzen is den Vorsten even zo
eigen als het onophoudelijk tragten naar meer en hooger
magt: [...]
Door zo aan te sluiten bij het traditioneel patriotse
anti-Orangisme worden de federalistische patriotten
gesitueerd in het kamp van de vijand van alle
patriotten.
Behalve deze offensieve satirische middelen om het politieke
doel - de sociale diskwalificatie van de sedert 22 januari
overwonnenen - te bereiken, is er ook een defensief argument
in de satire te onderscheiden.
In alle klachten over de `aristocraten' klinkt door dat ze
populistische middelen niet schuwden. De enorme aandacht voor
het volksbedrog in de radicale pers en literatuur doet
vermoeden dat de zogenaamde `aristocraten' - zoals de
Oranjes, zouden de radicale patriotten zeggen - bij het volk
populair waren. In elk geval wonnen de `aristocraten' het in
de volksgunst van de `radicalen', die bíjzonder weinig
geliefd waren. Altijd weer moesten de radicalen zich te weer
stellen tegen de beschuldiging van Jacobinisme. De geringe
populariteit van het bewind van Vreede en Fijnje - naar Frans
voorbeeld voor `Schrikbewind' uitgekreten - vormde een voor
dit bewind groot probleem.
Paape was vertrouwd met de beschuldiging van Jacobinisme, die
veelal culmineerde in de vergelijking met Robespierre. Toen
hij in 1796 en 1797 in Leeuwarden werkzaam was, werd in
verschillende gematigd patriotse bladen Friesland de `zetel
van WOEDEND JACOBINISME' gedoopt. In de strijd tegen de
Friese radicalen ging het blad Heraclyt en Democryt
voor. Redacteur van dat blad was Reinier Dibbetz, die om zijn
`onwaardig gedrag' als `Griffier der wettige Representanten
van het Friesche Volk' uit Friesland gebannen was en in Den
Haag en in Heraclyt en Democryt voor zijn terugkeer
vocht.
In februari 1797 werd de angstige vrees van gematigde
patriotten tot bittere waarheid:
Het geen braave en verstandige Patriotten reeds zedert
lange voorzien hebben, is gebeurd, er is in de
Rampzaalige Provintie Frieschland menschenbloed
vergooten, en de Hemel alleen weet, waar het einde is,
van alle de rampen, die er over dat eertyds bloeijende
gewest worden uitgestort.
Het Friese mensenbloed was vergoten bij de hardhandige
onderdrukking van het Kollumer oproer. De Friesche
Courant van 7 februari 1797 had nog juichend beschreven
hoe een Republikeins kanon in Dokkum de oproerkraaiers van
Kollum opwachtte, `het welk de Oranjemuitelingen zo wel
bekwaam, dat 'er vijf dood nedervielen, en zes zwaar gekwetst
werden.' Ook de daaropvolgende executie van `Oranje-slaaf'
Jan Binnes werd met grote instemming en in roerende
bewoordingen in de Friesche Courant beschreven. Die
instemming met de doortastendheid van het Friese provinciale
bestuur en het Hof van Justitie ontbrak elders in het land.
In het tijdschrift van Dibbetz steeg de verontwaardiging tot
grote woede. Gehekeld werd de samenstelling van de Raad van
Jusititie, die bestond uit mensen:
geheel van Rechtskunde, geheel van die zeedelijke
hoedaanigheeden, geheel van die deugden ontbloot, die den
vaderlandschen kundigen Rechter moeten kenschetsen.
In het Hoogste Gerechtshof hadden als Raden twee `leeraars
van een Christen Godsdienst' zitting, die de dissenterse
kansel hadden verruild voor de rechtbank. De `losbandige',
polemische excursies van een andere Raadsheer had het
tijdschrift voordien al aan de kaak gesteld.
Het Hof was in juridisch en menselijk opzicht onbevoegd tot
oordelen, bovendien had men in Friesland iemand (Jan Binnes)
ter dood veroordeeld `zonder FORM VAN PROCES'. De vrees van
`braave en verstandige Patriotten' werd door de jongste
gebeurtenissen gruwelijk bewaarheid: in Friesland heerste een
bloedig Jacobinisme.
Op al die aantijgingen reageerde Gerrit Paape. Hij schreef
een verdediging, die zich uitstrekte over drie nummers in de
Friesche Courant. De driedelige apologie, getiteld `De
eer der Friesen verdeedigd voor de vierschaar des Bataafschen
Volks', verscheen in de Friesche Courant van 4, 7 en 9
maart 1797, voorts in de Goudasche Courant van 8, 10
en 15 maart en werd nadien nog in het Frans als brochure
uitgebracht door de `landschapsdrukker' D. van der Sluis:
L'honneur des Frisons, defendu du tribunal Batave, par G.
Paape, in groot Octavo à 4 stuivers.
Paape maakt melding van een kwaad gerucht:
De Friezen dus vertelt men elkander, zijn
Robersperiaanen, zijn Maratisten geworden! -
Hunne Revolutie bestaat in Gevangenissen en Schavotten!
Met dat gerucht wenst Paape af te rekenen. Hij wijst op het
lichtvaardig gebruik van de naam van Robespierre; als men
iemand verdacht wil maken, volstond tegenwoordig kennelijk de
vergelijking met Robespierre. In zijn verdediging wijst hij
op de noodzaak hard op te treden tegen contra-revolutionaire
Orangisten, al was het maar om andere contra-revolutionairen
te ontmoedigen. Het doortastend optreden was in het belang
van `het waar geluk der Bataafschen Republiek'. Ten
overvloede noemt hij vele Friese blijken van trouw aan de
Revolutie en de Republiek.
In een apart verschenen brochure - een ingezonden reactie op
het stuk van Paape werd door de uitgever van de Friesche
Courant hooghartig afgewezen - reageert Dibbetz op de
driedelige verdediging van Paape. Het `groot en wijdloopig
stuk' van Paape, `thans Justitie Raad in het Hof van
Friesland', wordt een `zaamen-weefsel van schitterende
leugentaal' genoemd. Dibbetz houdt staande dat de leden van
`het hoogste Gerechtshof, (waar van Paape een lid is)':
Jan Binnes (hoe doodschuldig hij ook weezen mogt)
VERMOORD hebben, door hem Revolutionair met vijf tegen
drie stemmen, zonder Form van Proces ter dood te
verwijzen.
Voorts wordt Paape verweten dat hij zich, naast zijn functie
bij het gerecht, opwerpt als `Couranten-Schrijver' die mensen
beschuldigt, over wie hij in functie dient te oordelen.
Op welhaast dodelijke wijze constateert Dibbetz, die men enig
talent niet ontzeggen kan, dat Paape liefst vijfentwintig
maal - hoewel vol afkeer - de naam van Robespierre noemt,
maar daarmee zijn lezer dwingt `ten minsten zesentwintig
maalen' aan een gedrocht te denken, `het welk in Friesland
zoo vreeselijk den staart roert'.
De hardhandige bestrijding van het `Collumer oproer', wekte
bij vele gematigde patriotten de vrees dat radicale
patriotten als Paape de weg van Robespierre wilden gaan. De
vergelijking met Robespierre achtervolgde de Radicalen
hardnekkig - het bewind van Vreede en Fijnje kreeg de
noodlottige bijnaam `Schrikbewind' - en hun populariteit bij
de meeste vaderlanders was zeer gering. In zijn satire Het
leven en sterven van een hedendaagsch aristocraat belijdt
Gerrit Paape andermaal zijn afschuw van de methoden van
Robespierre. Radicale patriotten werden door de permanente
verdenking als het ware gedwongen om zich te blijven
distantiëren van Robespierre. In zijn satire gaat Paape
een stap verder en associeert hij de `aristocraten' met
Robespierre. Die associatie heeft - dat moge uit het
voorafgaande blijken - alles van een jijbak.
Die associatie van de `aristocraten' met Robespierre - Willem
als huisbakken uitvoering van de revolutionaire slager - zou
ik het defensieve argument in de satirische aanval willen
noemen. Om het verwijt dat de radicale patriotten vaak
gemaakt werd, te ontlopen, richt hij precies hetzelfde
verwijt aan het adres van de `aristocraten'.
De aanval die in de satire van Paape geopend wordt op het
volksbedrog van de `aristocraten', is onmiskenbaar; de
identiteit van de aangevallen `aristocraten' evenzeer. De
aanval maakt vooral gebruik van het procédé
schuld-door-associatie: de `aristocraten' lijken op de adel,
op de leden van het Oranje-huis, op Machiavelli en
Robespierre.
Wie zegt dit allemaal? Welke norm vertegenwoordigt de
satiricus in de tekst en voor welke norm staat de schrijver
van de satire buiten de tekst?
De uitweidingen die ik me veroorloofd heb, geven enig idee
van de prominente positie die Paape in het politieke leven
innam. In de satire daarentegen maakt de satiricus zich
opvallend klein. Hij poseert als een `arm schrijver' die een
aristocratische maaltijd niet beschrijven kan, omdat hij
gewoon was slechts een `niet heel groot stukje spek of vlees
en een enkele schotel groente of aardappelen' op tafel aan te
treffen. De verteller roept bovendien opvallend vaak de hulp
in van de verbeelding en het gezond verstand van de lezer.
Misschien moet men de verklaring op de titelpagina (namelijk
`het Fransch vrij gevolgd'), behalve als een toespeling op de
revolutionaire verwikkelingen in Frankrijk, ook interpreteren
als een gespeelde bescheidenheid.
De normen waaraan de satiricus binnen de tekst gehoorzaamt,
zijn algemeen en ogenschijnlijk onaanvechtbaar. Allereerst
vraagt de satiricus om eerlijkheid: dat de woorden in hun
gebruik de betekenis krijgen die ze hebben; dat de middelen
die gebruikt worden om hun doel te bereiken, niet strijdig
zijn met dat doel.
Bovendien roept de satiricus de hulp in van de Verlichting,
die als wrekende `Deus ex machina' de `eeuwige
Rechtvaardigheid' kent. Op een bepaald moment verschijnen er
in de satire `aan de staatshemel van Europa ettelijke
wolken', die door `zeer doorzichtige ogen' met genoegen
worden beschouwd, omdat daaruit `vruchtbaarmakende regens'
zouden vallen op de `akker der volkskennis'. Die regenbuien
zouden de Verlichting wijd en zijd doen uitbreiden `en het
maatschappelijk geluk tot de volkomenste bloei brengen'. De
volksverlichting wordt door de `aristocratische' Willem en
Anna misbruikt; wat het volk vrijheid behoorde te brengen,
draagt door dat onwaardig misbruik juist bij tot de
versterkte ketening van dat volk. In het laatste hoofdstuk
wreekt de `eeuwige Rechtvaardigheid' zich - uit naam van de
hemel en het volk - op de vijanden van de waarachtige
volksverlichting.
In zijn satire poseert Paape als een nederige dienstknecht
van de Verlichting. De satiricus openbaarde in de tekst zijn
werkelijke positie niet, zoals hij ook de praktische en
propagandistische doelstelling van de satire onvermeld liet.
Die zwijgzaamheid en pose behoeven niet te verbazen. Wel kan
men zich er over verwonderen dat Paape aan de ene kant van
zijn lezers verwachtte dat zij het pleidooi voor eerlijkheid
in de politiek en voor waarachtige Verlichting van het volk
zouden opvatten als kritiek op de machthebbers van
vóór de staatsgreep van 22 januari en aan de
andere kant hoopte dat zij daarbij de verlichte satiricus
niet zouden ontmaskeren als de schrijver van propaganda voor
de staatsgreep van 22 januari.
Mij dunkt dat daarmee een belangrijke verklaring gegeven is
voor de vergetelheid waaraan de satire van Paape ten prooi
gevallen is. De discrepantie tussen de politicus Paape, die
buiten de satire bloed aan zijn handen had, en de satiricus
die binnen de satire voor eerlijkheid en volksverlichting
stond, was te groot. De reputatie, die Paape als radicaal
patriot genoot, schaadde het aanzien van de satiricus.
Definitief onmogelijk werd Het leven en sterven van een
hedendaagsch aristocraat door de tweede staatsgreep in
1798, die van 12 juni. Door die staatsgreep kwam een einde
aan het bewind van de radicalen. In de jaren van restauratie
was er vanzelfsprekend weinig waardering en belangstelling
voor een geschrift, dat getracht had het volk te winnen voor
het `Schrikbewind' van Vreede en Fijnje. Van een tekst, die
zo'n concrete, propagandistische doelstelling kende, kon men
moeilijk het `algemeen satirische' waarderen.
Waar Buijnsters in zijn nawoord meent dat de onbekendheid van
de tekst vooral het gevolg is `van niet willen weten',
krijgt men de indruk dat, naar zijn idee, de lezers niet
gestoord wilden worden in hun droomwereld. Zo simpel is het
echter niet.
De lezers waren in 1798 niet onnozel; zij zagen Het leven
en sterven van een hedendaagsch aristocraat als een
politiek geschrift, waarin met satirische middelen propaganda
gemaakt werd voor het radicale bewind. Na de val van de
radicalen was het politieke geschrift `vieux jeu' geworden.
Het beeld dat Buijnsters van de satiricus Paape presenteert,
is aan herziening toe. De satiricus spreekt niet alleen voor
eigen rekening. Zijn pose van `wereldwijs filosoof, die
hoofdschuddend de dwaasheden van de mensen beziet', wordt
door Buijnsters ten onrechte voor de werkelijke positie van
Paape gehouden.
Aan Het leven en sterven van een hedendaagsch
aristocraat kan men veel plezier beleven, maar het is en
blijft propaganda in de vorm van satire. Veel wijsgerigs valt
daar niet in te ontdekken.
Voor de interpretatie van satirische literatuur is kennis van
de wereld, waarin de satire verschijnt, van groot belang, `om
tot regte kennis van zaaken te komen!'.
|