|
HISTORIE VAN BROER CORNELIS ADRIAENSEN VAN DORDRECHT (1569)
[14]
Tekstuitgave door Johanna Fenyn en Dirk Smout
Samenvatting van de voorgaande aflevering
Op 14 december 1567 bespreekt Broer Cornelis het vierde
voorteken der laatste dagen, namelijk over de valse profeten
die zullen opstaan. Hij betrekt dit op de calvinistische en
lutherse hagepredikers. Ze hebben succes, terwijl ze niet
eens een behoorlijk mirakel weten te verrichten. Over de
mislukte mirakelen van Calvijn en Luther heeft Broer Cornelis
ooit iets gevonden in betrouwbare boeken.
Op 21 december heeft Broer Cornelis vier aanleidingen om een
felle preek te houden:
1. de dienaren van de centrale rechtbank inventariseren de
bezittingen van gevluchte calvinisten om die te confisqueren,
wat tegen de stedelijke privileges is;
2. bij een terechtstelling van vier beeldstormers ontstond
opschudding, toen een bank instortte waar toeschouwers op
stonden. Daarop hadden de Spaanse soldaten zonder enige
afdoende reden een aantal mensen doodgeslagen;
3. te Doornik was opschudding ontstaan omdat de Spanjaarden
daar burgers hadden gedood, onder wie een aanzienlijk man die
een Spanjaard had dood gestoken, omdat die zijn vrouw had
verkracht;
4. het gerucht ging dat tussen de koning van Frankrijk en de
prins van Condé onderhandelingen werden gevoerd,
waarbij bepaald was dat de calvinisten hun godsdienst in het
openbaar mochten uitoefenen.
In zijn preek gaat Broer Cornelis vooral tegen de
stadsregering van Brugge tekeer, omdat die privileges
verdedigde, die de ondergang van het rooms-katholieke geloof
bewerkstelligden.
's Middags becommentarieerde hij het vijfde voorteken der
laatste dagen op grond van 2 Tess. 2: 3-4, waarin sprake is
van afvalligheid van de trouw aan God en Christus. Het gedrag
van de afvallige koning van Frankrijk contrasteert scherp met
dat van de koning van Spanje, die het katholieke geloof met
alle middelen verdedigt. De Vlamingen mogen de Spanjaarden
wel dankbaar zijn in plaats van voortdurend op hen te
schelden. Alle cultuur en welvaart hier is aan de Spanjaarden
of aan onze band met Spanje te danken.
Op 25 december neemt hij zich voor om tegen de wederdopers te
preken, omdat die schrijven dat Christus geen mens van vlees
en bloed is geweest. Zijn lichaam was een geestelijk lichaam
dat vanuit de hemel in Maria is gestort. Zijn tegenargument
dat Maria dit lichaam dan per ongeluk bij het laten van een
wind had kunnen verliezen, ontsticht sommige katholieke
luisteraars zozeer dat ze de kerk verlaten.
Op 1 januari 1568 preekt Broer Cornelis opnieuw tegen de
wederdopers. Hij gaat ook in op de kritiek die sommigen
hebben geuit op zijn kerstpreek, en hij herhaalt hetzelfde
argument in nog grovere bewoordingen.
Op 4 januari preekt hij over de gruwelen die de geuzen in
West-Vlaanderen bedrijven. Ze snijden pastoors en kapelaans
de oren af, wanneer die hun kinderen (die door hagepredikers
zijn gedoopt) opnieuw dopen.
Op 6 januari komt opnieuw de kritiek op zijn kerstpreek aan
de orde en hij betoogt dat hij voor de H. Maagd een
buitengewone verering koestert. De critici vinden dat het
niet nodig is dat hij preekt over de natuurlijke
lichaamsfuncties van Maria. Zijn tegenargument is dat hij
anders de wederdopers er niet van kan overtuigen dat Maria
een menselijke natuur bezat.
's Middags deelt hij in zijn preek mee dat de geuzen in
West-Vlaanderen niet alleen bij dorpspastoors en kapelaans,
maar ook bij alle andere priesters en monniken de oren, de
neuzen en de lippen afsnijden.
Op 11 januari preekt hij over Condé. Deze aanvoerder
der hugenoten is verslagen door de katholieke troepen en naar
Lotharingen gevlucht. De berichten over de troepen die
Condé vanuit Duitsland te hulp zouden komen snellen,
berustten op niets. Het was allemaal om ons katholieken angst
aan te jagen. De berichten over Duitse troepen voor de prins
van Oranje zullen wel geen andere bedoeling hebben. Nu het
met Oranje in de Nederlanden slecht is afgelopen, zou het
toch sterk zijn dat hij zou slagen in een samenzwering met
die lutherse Duitse honden. Dat Oranje, Brederode,
Hoogstraten, Culemborg en Bergen het zullen proberen, wil
Broer Cornelis best geloven, nu de bezittingen van Egmond en
Horne geconfisqueerd worden. Maar wie zal het wagen om hun
medestander te zijn tegen de machtige koning van Spanje?
's Middags preekte hij opnieuw tegen de geuzen, die oren
afsnijden.
[VERVOLG VAN DE SERMOONEN]
Den .18. Januarii quam B. Cornelis met een suer leelick
ansichte opden predickstoel ende naer dat hy in synen teem op
den jammer licken staet der Kercken viel, seyde hy al
suchtende: Ja goeliens, en is hier nu niet wederomme een
duvels regiment in dese onsalige bedroefde Nederlanden, mits
dat ons galgenaes of onse vermaledijde Guesen dus bysterlick
voortgaen hier in Westvlaenderen met tyranniseren over de
Priesters, Pastoren, en [210r] Monicken, diese nu
alomme de ooren of snijden.
Ou, ba dit en is byloo geen kinderspel, de Priesters en de
Religieusen aldus de ooren af te snijden! Ba hier wil noch
meer af commen en uut volgen. Y, y, y, och Jesus Jesus! Ba
Godt bescherme ons, en Maria de moeder Godts stae ons by. Ba
wat wil doch dit zijn? De priesters alomme de ooren, ja
neusen en lippen af te snijden. Ba, ou, ba dese boosheyt en
wreetheyt gaet noch alle verduveltheyt ende verwoetheyt, die
de dulle Guesen noch tot nu toe in dese landen voorgestelt
hebben, seer verre te boven. Daeromme, dese landen moeten nu
voorts met alle verduveltheden, evelen, besmetheden en
alderhande cativichheden geplaecht en geschent werden, want
sij zijn begonnen te bederven, en sij moeten nu voorts
bedorven werden.
Ba, maer wil ick u seggen goeliens, alle dese brabbelingen
van der Guesen goedingen aldus te beschrijven om te
confiskieren en staet my niet met allen aen. Ba, dat en heeft
seker al niet te beschieten noch te bedien. Ou, ba wilmen
anders gheen justitie over de ketters doen, soo ist al
verloren moeyte en beuselinge diemen voorstelt. Ba, sij gaen
hier noch met honderten achter straten, die ons de ooren ooc
noch vanden hoofde snijden sullen. Ou, waerom en grijptmense
niet metten halse en bindtse aen een staek, en stickter tvier
in, alsoomen plocht te doen, he? Ba wat dusent duvel, of
[210v] en hebben wij therte niet? Ou, daeromme moeten wij
aldus deerlick varen. Ba, fy, fy, hets! Wij zijn in der
waerheyt wel weert datmen ons de ooren van den hoofde snijt
om onse slackicheyt en lafficheyt wille. Ba, het waer jammer
dat wij anders voeren. Fy, aye, dat wij so luysich zijn en
ons teghen dese oorsnijders niet en derren stellen, ba
schijten eens.
Als B. Cornelis sachternoens weder tegen de Papen oorsnijders
predicte, seyde hy: Ou, ba daer is doch nu in een Placaet van
Duc Dalva toegelaten, ja, geboden datmen dese vermaledide
oorsnijders, neusensnijders, lippensnijders alomme mach
dootsmijten, ghelijck dulle verwoede rasende honden. Ba, hier
mede is nu een yegelick verbonden op zijnder sielen
verdoemenisse, gheweer en wapenen aen te nemen en uut te
trecken tegen dese afgrijselicke tyrannen. Ou, ba wat dusent
duvelen, waeromme en looptmen niet uut met den clockenslach,
gelijc tot eenen gemeenen brant?
Den .25. Januarii sachmen an B. Cornelis een groot misbaer in
zijn sermoon: Och goeliens, seyde hy, en zijnder nu niet
groote vervaerlicke en vreesselicke maledictien, evelen en
vloecken over dese aerme Nederlanden gecommen deur dese
duvelsche Gueserie of Calvinisterie en Lutherie? Ja maer
lieve Heere, is dit niet een afgrijselicke duvelderie,
vereveltheyt, vervloectheyt, betoovertheyt en vermaledijtheyt
dat wij Catholijcke dusda- [211r] nige tyrannie en
martyrisatie, die dese boose Guesen nu over Godts Priesters
gebruycken, verdragen, en ghedoogen, of toelaten? Ba och
goeliens, het gaetter nu al boven de oorsnijdinge. Och Jesus,
sij beghinnen de priesters hier in Westvlaenderen alomme doot
te smijten gelijc verwoede honden! Ja, sij steken de
Priesters en Monicken de kele af ghelijck swijnen of
verckens, ende de Nonnen gelijck seughen. Y, y, en den roep
beghint wederomme onder dese vermaledide Calvinisten hier
inde stat te gaen, datse de Papen en Monicken, Nonnen en
Baghijnen alomme deur de gansche Nederlanden willen doot
smijten. Och Jesus, wie soude doch oyt ghemeent oft ghelooft
hebben datter noch alsulcke horribile, afgriselicke, enorme
en schreumelicke yselickheyt en gruwelickheyt in dese helige
Catholicke landen soude ghebeurt hebben? Ja, lieve Heere, wat
sals doch noch ghewerden? Ba ic en vreese anders niet dan dat
dit is om nu te volbringen die moordadige, bloetdurstighe
conspiratie die dese dulle Guesen over een Jaer meenden
volbrocht te hebben met heurlieder duvelschen Jan Denijs, te
weten den gheestelicken staet en alle religieusen met den
sweerde uut te roeyen en te vernielen.
Ba, daeromme duchte ic dat dese Papen doot smijtinge over
alle de Nederlanden gaen sal, gelijck de beeldestormerie
dede. Want de beeldestormers en kerckenschenders en outaer-
[211v] brekers zijn nu al verandert in
Papendootsmijters en Cloosterbranders. Och, och, och, wee,
wee, wee Vlaenderen. Want ou, ba alle dese afgrijselicke
goddeloosheden en duvelsce farcen beghinnen altijts eerst in
dit onsalige Vlaenderen, al soudt ramp hebben.
Ba, hebben de sectarisen niet eerst hier int heymelick by
nachte int velt en in bosschen beghinnen te preken, en daer
naer openbaerlic by daghe? Ba hebbense niet aldereerst de
beelden gestormt en ghebroken in Westvlaenderen? Ba zijn de
Westvlamingen de eerste niet die de wapenen an genomen hebben
tegen den Coninc heur lieder natuerlicke geboren en gesworen
Heere? Ba en zijn sij nu niet deerste die dese horribile
tyrannie begonst hebben, vande Priesters de ooren af te
snijden, ende nu het afgrijselicste en gruwelicste van allen,
de Papen en Monicken doot te smijten? Ba fy, fy! Vlaenderen
wee u, dat ghy nu eenen moortcuyl, of eenen bloet put van
Priesters bloet geworden sijt. Hets! Ic wilde wel dat ic een
spiese diep onder deerde stake, op dat icker doch niet meer
van en hoorde. Want nu verliese ic doch alle mijn pacientie
teenigaer, en te meer om dat mender niet met allen teghen en
doet. Ba Jesus, wat een betoovertheyt is nu over dese
Catholicken datse Gods Priesters aldus laten vermoorden,
datse soo doen.
Den eersten dach van Februarius predicte B. Cornelis sulcken
injurieusen sermoon tegen [212r] den Prince van
Oranje, den Heere van Hoochstraten, de Heere van Brederode,
den Grave vanden Berge, den Grave van Culenborch ende tegen
Grave Lodowijc van Nassau, dat my het selve sermoon te odieus
soude zijn also te beschrijven, mits dat hi in zijn lasteren
en schimpen geen persoonen, van wat qualiteyt, hoocheyt of
state datse zijn, aen en siet, maer gaet met zijn vileyne
indiscretie en onbeleeftheyt deur.
Daer riep en tierde hi: Ba waer zijnse nu die my tjarent inde
Vasten so qualick af namen dat ic in mijn sermoon geseyt
hadde van den Prince van Oranje, dat hem die gruwelicke
meuterie Tantwerpen niet qualick en behaechde, maer dattet
met hem was: "Joct my Gilliken, het is so wel mijn willeken,
cust mijn billeken?". Ou, blijcket nu niet wel dat ic de
waerheyt seyde? Ba, twas ghister acht dagen dattet te Bruesel
van ons Conincx wegen openbaerlic achter straten met ses
trompetten uutgeroepen en gelesen wiert.
B. Cornelis sette zijn vuyst an zijn mont segghende: turretut
thu, turretut thu, Ba goeliens, hoordy dat wel? Ba, alsoo
wierden sij met trompetten geluyt ingedaecht, dat sij
heurlieder binnen drijmael vijftien dagen moeten comen
verantwoorden voor Duc Dalve op de verbeurte van heurlieder
goet ende eewich ghebannen te blijven uut ons Conincs landen.
Maer sij sullen heurlieder wel wachten te commen, dat
versekere ic u. Ou, ba de sticken zijn te leelic. Ba, de
prince van Oranje [212v] wert uutgeroepen, als dat hy
is het principale hooft vande sectarisen ende vande
sedicieuse rebelle, geconspireerde, tsamen gesworen
perturbateurs van ons Catholijcke religie en vande gemeene
ruste. Ba, en dat hy deur zijn listige practijcken de
sectarisen verwect heeft tot rebellie tegen den Coninc, en
dat hy het Edeldom van dese landen aldus geinfecteert en
gecorrumpeert heeft in de heresien, en daer naer heurlieder
geraden heeft tot ligien of tsamenverbindingen en tot
conspiracien ende conjuracien tegen de placaten opt stick
vande Ketterien. Ba, en dat hy Tantwerpen toe gelaten heeft
allerhande diveersche sectarisen openbaerlic heur valsche
heresien of ketterien te preken ende heur duvelsche religie
te exerceren. Ja, daer toe Tempelen te maken en Consistorien
op te richten, daer de sectarisen in geconspireert en
geraetslaecht hebben hoe en deur wat middel sy ons Priesters
en religieusen souden mogen vernielen en uut roeyen, en noch
veel andere gruwelicke dingen tegen Godt ende tegen de Coninc
die ic voortijts al dicmaels gepreect hebbe, daermen my
telcken de blase om wilde breken. Ba ou, meendy dat ick niet
en wiste wat ic seyde?
Ba, ende al dat ic van dien boosen Brederode geseyt hebbe in
mijn sermoonen, en blijct dat nu ooc niet? Ba, die wert daer
ooc uut geroepen of verclaert als thooft van alle meuterien,
beroerten en troubelen in dese Nederlanden, mits dat hy met
zijn tsamen [213r] ghesworen, onsalighe Guesen ande
Gubernante die bescheten Requeste over gaf, tegen de Placaten
van Keyser Carlus quintus, ter saliger memorie, gemaect tegen
de Ketters. Ba, en dat hy zijn Guesen tot Sanct Truyen
vergaderde om heurlieder daer te raden en op te roeyen tegen
den Coninc de wapenen an te nemen, ende de Consistorialisten
gelt dede vergaderen vande sectarisen om in Duytslant vier
duysent peerde Ruyteren en veertich vendelin [sic]
voetknechten te lichten, om daer mede tegen den Coninc en
tegen de Catholijcken te oorloghen, twelcke hy naermaels in
Hollant wel begonste, daer hy sConincx steden en stercten in
nam, veel Cloosters en kercken pillierde, beroofde, verbrande
en raseerde; ba, en dat hy de Gubernante met afgrijselicke
dreyghementen deur noch een ander requeste ghedreycht hadde:
waert sake datse de sectarisen de exercicie van heurlieder
religie niet en wilde toelaten, datter seer veel gruwelicke
bloetstortingen uut volgen souden.
Ba goeliens, dese schandelicke sticken zijn te Breusel al
openbaerlick met trompetten achter straten uutgeroepen:
traratara, traratara! Ba, en als ickse tjarent gepreect hebbe
so en heeftmen niet gheweten hoement my qualick genoech wilde
afnemen. Ja, die Wethouders of die vant Magistraet, seyden:
"Hoort doch waer dat sotken met besich staet in synen
Preeckstoel". Hey, ist waer? Ba, datse nu [213v] sulcx
eens commen seggen, lusige ezels alst zijn, maer neense. Ba
sy gaen nu al siende ghelijck pisse bedden. Ba sy peynsen nu:
"Dat sotken heeft de waerheyt gheseyt". Ba fy, schaemt u, ghy
geveynsde Catholijcken als ghy zijt. Ou, ba wat hebdy u met
my te moeyen? Ba loopt en beschijt u, en laet my preken also
ict verstaen. Ba soo siet.
Sachternoens stonde hy noch met dese odieuse materie besich,
en ymmers alsoo schandelick en injurieuselick.
Den 2. dach Februarii seyde B. Cornelis in zijn sermoon: Och
goeliens, noyt sulcke afgrijselicke martyrisacie en tyrannige
tormenten, als daer de verhoede Geusen nu Gods Priesters in
westVlaenderen mede ter doot bringen. Ba lieve Heere, twas
eerste [sic] de ooren, de neusen en de lippen af te snijden
en daer nae quamt tot dootsmijten, maer eylacen nu snijdense
de Priesters en Monicken de handen af om datse geen Misse
meer en souden connen doen. Sommige snijden sy die armen ande
ellenbogen af, sommige snijden sy de manlickheyt af. Ba, het
is onuutsprekelick die vreesselicke tyrannie diese bedrijven,
want als sy de Priesters aldus de leden afgesneden hebben, so
hangen syse noch yewers int bosch van Niepen an een boom met
een coorde onder de ocselen en latense also hangen sterven.
Ba alsse eenige Priester met een strop an zijn hals hangen,
dat is groote gracie.
Och het is heden acht dagen dat die Priesters te Hontscoten
so deerlick en [214r] jammerlic vermoort werden. Deen
was een helich Jesuijt, diese anden Outaer (dae [sic] hy
stonde en dede Misse) dooden. Ende alsmen hem ontclede, soo
bevantmen een haren cleet over zijn bloot lichaem. Hy hadde
sessentachentich wonden.
Hey wat gruwelicke plagen, vloecken, evelen, miserien en
maledictien moeten nu over dese landen commen, of God en sal
niet rechtveerdich zijn. Ba, cander de Coninc noch Duc dAlve,
noch de Magistraten vanden landen niet tegen gedoen of dese
horribile tyrannie wederstaen, soo bidde ick de almogentheyt
Gods dat hy sulphur en brandende peck van boven laet vallen,
op datse vant helsche vier mogen verslonden werden, of dat de
aerde open splijte, en datse versincken int afgront der
hellen. Ba so siet.
Sachternoens dede hy deser ghelijcke sermoon met sulcken
misbaer en passien, datter veel volcx om weende.
Den 8. Febru. predicte B. Cornelis anders niet dan van veel
diversche tormenten, daermen de papen in westVlaenderen
dagelicx mede ter doot bringt, dewelcke nochtans geen
schijnsel der waerheyt hebben.
Onder alle seyde hy met seer droevige en compasselicke
woorden: Och goeliens, hoe merckelic heeft Christus van dese
tribulacie gepropheteert (Mat .24.) die doch nu ymmers also
groot is alse van beghin der werelt oyt geweest mach hebben.
Ja lieve heere, zijn dat niet afgrijselicke, tyrannige
martirisacien dat de guesen sommige priesters an een
[214v] hout binden en levende tegen een vier braden,
gelijckmen ander vleesch aen een spit braed, wend en keert.
Sommighe Priesters snijden sy al levende sticken vleesch uut
heur lichaem gelijc langhe smale riemen, daer mede gaense
ander Priesters al levende lardieren, makense gaten in heur
lichaem en steken daer het vleesch in datse uut de ander
Priesters gesneden hebben, en daer naer gaen syse ooc alsoo
tegent vier braden. Sommige Priesters steken sy al levende
een ghescherpten stock deurt fondament in, dat hy hier boven
deur den crop uut comt en bradense, ende als die arm helighe
martelaers aldus ghebraden zijn, so werpen syse voor de
honden. Sommige Priesters graven sy of delven sy totten halse
toe al levende inde aerde, en dan gaen sy met scherpe steenen
de kaey werpen naer thooft, so langhe tot dattet hooft in
stucken ghebrijselt is. Och haddense my, y, hoe afgrijselick
soudense my martyriseren, want geen meerder Calvinisten vyant
dan ic en ben.
Sachternoens predicte hi noch desergelijcke gruwelicheden,
waer deur het volck seer beweecht wiert tot impatienticheyt
en weemoedicheyt, meenende dattet alsoo geschiede, gelijck hy
seyde.
Den 15. Februarii seyde B. Cornelis in zijn sermoon: Ba wat
duvel, my dunct dese vermaledide Hughenoosen en Guesen
slachten de fenijnige slangen en serpenten, de welcke naer
datmense in sticken van een gehouwen [215r] of gekerft
heeft, so connen de sticken wederomme tsamen crupen ende an
malcander heylen of genesen. Want ou, hebben wy niet gemeent
en voorseker gehouden (ja, daer waren gewisse brieven af) dat
dien boosen Conde, dien Hugenosen Coninc, dien Gods viant,
gans te bersten geslagen en zijn helschen leger van alle zijn
duvelsche verhoede Hugenosen te eenegaer vernielt en
gedestrueert was?
Ba wat ramp is dit? Ou, en hier zijn nu wederom vervloecte
Geusen nieumaren, als dat hy de stat van Blois met den
sweerde in genomen en alle Priesters en religieuse de kele
heeft doen af steken, en alle het kerckelic en geestelick
goet gerooft en gepilliert heeft. Ba God bescherme ons, wat
duvels regiment is dit? Ba hier moet meer dan eenen duvel met
spelen, dat hier alomme anders niet teghen gedaen en wert. Ba
hier sullen onse tyrannighe Guesen, die in westVlaenderen de
Priesters soo jammerlick en afgrijselick martyriseren noch te
meer in verharden en versteenen om in heur gruwelicke
tyrannie so lancks so meer voort te gaen. Phou, het is met
ons Catholijcken uut: ba ic geve den moet nu verloren, ba
seght dat ict geseyt hebbe, de boosheyt sal noch de overhant
gecrijgen. Ou, nu de Coninc van Vrancrijc in sulcke
benautheyt of in sulcke grooten noot is, dat hy alle zijn
ondersaten moet gebieden de wapenen an te nemen teghen synen
vyant Conde. Ba, nu ist verre [215v] gecommen met de
Catholijcken in Vrancrijc. Ba fy, hebbense dat quaet oncruyt
also over heurlieder hooft laten op groeien, ba daer om heeft
onse Coninc wijsselick ghedaen, dat hy Duc dAlve also van
eerst in tijts met zijn Spaenjarden hier tegen dese rebelle
Guesen gesonden heeft.
Ou maer wat willen doch die Brabanders, die lusige
Kempenaers, die magher Heykriekels, nu met heurlieder
requesten gaen liggen brabbelen tegen Duc dAlve om den Grave
van Egmont uut de gevangenisse te hebben. Ba, siet doch eens,
wat sullen die nu meenen voor te stellen? Ba ou, wat sotten
zijn dat? Ba, en siense niet wat een bril datse op heurlieder
nues hebben? Ba, sy sullen noch al meer Casteelen op heuren
neus moeten hebben, sien ic wel. Ba, datse heur beschijten en
vagen heurlieder eersgat aen heur requesten. Ba, wat seghdy
my van die luysighe staten van Brabant? Ba, siet doch waer
mede dat wy nu moeten ghequollen zijn!
Sachternoens seyde B. Cornelis in zijn sermoon: ba goeliens,
heb icket niet wel geseyt, datter niet onder den sneeu
verborgen light, ten sal al openbaer werden deur dese
informacie, die des Conincx Commissarisen hier houden. Gelijc
nu blijct dat emmers hier den ganschen ratten nest van die
vermaledide Herdoopers nu geopenbaert is, daer datter nu een
deels van ghevangen zijn en noch veel meer sullen gevangen
werden, eer lanc, hoep [216r] ick. Want heur lieder
duvelsche gemeente is hier inde stadt van Brugghe wel seven
hondert sterck! Jesus, y, wat hebben wy al gruwels en
perijckels om ons ooren! Ja, lieve Heere, in wat dangier dat
wij Catholijcken hier oock sitten. Want ou, ba, dit is de
bloetdurstichste secte en die moortdadichste generacie van
alle sectarisen daerse de overhant crijgen, soomen in
Hollant, Vrieslant en Gelderlant wel ghesien heeft.
Ba ou, ghy Magistraet van Brugghe, siet ghy nu wel wat datter
uut gecomen is met die helige Inquisicie en Placaten te
wederstaen? Ba, ghy hat soo grooten vreese dat den
Inquisiteur u stat bederven soude om dat hy altemits eenen
ketter of twee uut roeyerde. Ou, ba besiet nu hoe u stat
bedorven is, sichtent dat ghy hem hebt helpen verdrucken. Ba,
ist nu niet wel gerequest teghen de Inquisicie en Placaten?
Ba, ist nu niet wel gheliberteyt? Ba fy, ghy moghes u lieder
wel schamen tot achter in u poorte.
Den 22. Februarii was b. Cornelis op den Magistraet van
Brugge seer vergramt en gestoort in zijn sermoon, tierende en
roepende: Ou, ba men sout my schier qualic willen afnemen, om
dat ic segge datter so veel Herdoopers inde stat zijn: ba,
loopt en beschijt u! Ba, het schijnt dat ghijt gheerne
loochenen sout, ja, const ghy! Ba, het is nu al te openbaer,
ba nu sy in die Informatie boecken van des Coninckx
Comissarisen met namen en met [216v] toenamen
gheschreven staen, ba nu ist verre ghecommen. Ou, wat wildy
doch daer aen bedecken of verstommelen. Ba, ghy moetse selven
doch met menichte vangen, in spijt u herte! Ja, ghy sultse
noch openbaerlick moeten metten viere of met stroppen, basten
en galghe justiceren en straffen, in spijt u backhuys.
Ba, blamiere ick dan u stat van Brugghe? Ba, ghy lieder
hebtse selven geblamiert en gediffamiert deur dien dat ghy
dien helighen Inquisiteur (die u stat van dese vuylicheyt
wilde suver houden) soo wedersporrich zijt geweest. Ba fy,
schaemt u en houdt u lieder backhuys, en moeyt u met mijn
preken niet; dat rade ick u wel, dat ick soo doen.
Ba, goeliens van Brugge, ick waerschuwe u lieder, alsmen dese
vervloecte herdoopers doot of justiciert, dat ghy der gheen
compassie of medelijden met en hebt wat tormenten datmen
heurlieder oock aen doet. Want het is die booste, snootste,
gruwelicxste generacie die oyt op eerden quam. Ja, sy zijn
arger dan de duvelen selven. Ba, ick en can my niet ghenoech
verwonderen, segenen en crucen, als ick van dese secte der
herdoopers lese inden boeck van mijn Heere de Prior vanden
Augustinen, vraghe en antwoort tusschen den Gestadigen en den
Twijffelaer. Jesus, wat afgrijselicke dinghen staen daer in
van dese Herdoopers. Ou, ba datse niet en gelooven dat
Christus waerachtich mensch gheweest [217r] is en dat
hy zijn menscheyt van de helighe maget Maria heeft an
ghenomen, dat is al tminste. Ba, sij maken van Christus een
duvel en seggen dat hy synen hemelschen Vader blasphemierde
als hy aent cruce hinck, en dat hi daerom verdoemt is. Y, y,
wat gruwelickheyt!
Ou, ic en ben nu niet verwondert datse de vrouwen onder
elcander ghemeen hebben, want sij houden de deucht voor
sonde, ende de sonde houden sij voor deucht. Ja, sij en
houden gheen dinck voor sonde dan daer heurlieder conscientie
sonde af maect. Ba, en een benaude of bevreesde conscientie
houden sij voor de helle. Maer een vrij ruyme conscientie die
niewers gheen werc af en maect, houden sij voor het paradijs.
Ou, en daeromme ist datse gheen Magistraten noch Wethouders
oft Overheyt en willen gedoogen noch lijden, maer willense al
dootsmijten, of metten sweerde uut roeyen en te niete doen op
dat sij vrij, liber in alle boosheyt en snootheyt souden
mogen leven.
Ja, en souden wij Catholijcken dan met sulcke duvelsche
menschen compassie hebben, alsmense sal dooden? Neen, neen!
Ba, ic segghe noch, datse arger zijn dan duvels. Ou, al so
haest als sij het Kersten doopsel af gaen en heurlieder laten
herdoopen, so werdense met den duvel beseten; ende daerom ist
datse oock leeren dat naer de verrijsenisse gheen
verdoemenisse en sal wesen, maer dat alle menschen, ja, ooc
de duvels vander hellen, sullen [217v] salich zijn.
Jesus, Godt behoede ons! Wie hoorde oyt horribilder of
afgrijselicker ketterien? Ba, ick ghemisse mijn sinnen en
mijn haer staet over eynde, als ick daer maer om en peynse.
Sachternoens hadde hem B. Cornelis wederom also leelic op de
Herdoopers, seggende in zijn sermoon: Ja, wat dusent
meerkatten! Hier zijn nu vander weke sommige Herdoopers jonge
dochters van .xvij. of .xviij. jaren mede gevangen, die noch
niet gedoopt en zijn. Ba, ghy liens van Brugge liept over
vier dagen die seven Herdoopers kinderen met so groote
verwonderinge sien doopen, om datse soo out waren. Ba, hoe
sult ghy dan loopen, alsmen die groote maechden sal doopen?
Ba, dan sal de gansche stat van Brugge overeynde staen.
Ja, maer isser niet wel een gruwelicke maledictie over dese
landen ghecommen met dese vervloecte Herdoopers? Ou, wat
soude uut dese secte anders volgen dan een heydenschap, om
wederom al Heydenen te werden? Ba, also ongedoopt te gaen,
ja, wat betooverde menschen zijn dat! Ba, al deur wech te
vierwaert daer mede! Ba, maectse u quijt, also men plach te
doen, naer inhoudt van des Keysers Carlus quintus Placaten.
Ba soo siet.
Den .25. Febr. seyde B. Cornelis in zijn sermoon: Ba
goeliens, hier zijn nu wederomme al van dese onsalige
versmachte Guesen nieumaren in de stat van Brugge. Ba, altijt
is dese [218r] stat of Brugsche volc besabbert met
Guesen nieumaren.
Ba, nu ist al te rasen en te prasen van een victorie die dien
boosen Conde soude gehat hebben tegent crijchsvolc, die onsen
heligen vader de Paus den Coninc van Vrancrijc met eenen
grooten schat van gelde te hulpen sonde tot beschermenisse
vant catholijcke kersten geloove ende religie. Ba, en het
schijnt dat Conde tvolc al verslagen en tgelt al gerooft
heeft.
Maer ghy Catholicken, ic bidde u, en gelooft doch de Guesen
niemaren niet so lichtelic, want sij zijn gemeenelic al
gelogen, hoe wel nochtans de saken van Vrancrijcke, ba, sij
mogen behagen diese willen, sij en staen emmers mi niet met
allen meer an. Neen, wiese behagen of niet en behagen, sij en
behagen mi, plat uut geseyt, niet meer. Ba, de Fransoisen
hebben met mi geheel uut, datse so doen. Ou, ba het is niet
anders dan inckel verraderie en rabbauwerie daermen in
sconincx leger mede om gaet. Ba, wil ic u seggen, goeliens,
de Hugenosen liggen tegen de Hugenosen te velde. Ba, hoe
soudet met ons aerme Catholijcken dan connen wel gaen? Ba
eylacen, wij zijn so deerlicken verraden en vercocht, ja en
ick duchte dat wij eer lanc ooc noch al op de vleeschbanc
sullen ghelevert zijn. Ou, ba wat willen wij Catholijcken
onsselven veel kietelen? Ba, wij sient nu voor onse oogen,
dat wij so doen.
Den .29. Februarii, den welcken was des sondaechs voor de
Vasten, begonste b. Cornelis [218v] wederomme te
prediken in de Parochiekercke, diemen heet tonser liever
Vrouwen, om aldaer de Vasten lanc alle dage weder te
prediken.
Ende naer dat hy synen teem (den welcken hy nu niet en
veranderde, so hy plocht te doen) voleyndet hadde, seyde hi:
Ba goeliens, hier is nu een placaet inde stat van Duc Dalve,
daer mede hy van ons Conincx wegen gebiet en beveelt datmen
alomme daer de Kercken gedestrueert zijn, wederomme nieuwe
beelden, outaren, sacramentshuysekens en alderhande
kerckelicke ornamenten of ciragien die tot den dienst Gods
nootsakelic zijn, terstont sal doen maken en oprichten ofte
toerusten, dattet binnen drij maenden al gedaen sy, om die
helige Catholijcke Religie wederom te exerceren en te
gebruycken also men te vooren gewoon was te doen, eer dese
vermaledide Gueserie of Calvinisterie op quam, die sulcx al
vernielt, verdorven, geschent en gheraseert heeft.
Ba, ou tjan, en daerom wilt hy ooc dat alle dese goddelicke
saken wederomme gemaect en gerepariert werden ten coste van
de Calvinisten, die de haechpredicatien gevolcht hebben, ja,
ooc ten laste vande ghene die sulcke duvelsche predicatien
maer gefavoriseert of jonste gedragen hebben. Ba, men salse
so ongenadelic in heurlieder buerse straffen, datse heur
leven lanck thooft daerom crauwen sullen. Ou, en dat moet ooc
wesen: ba derfmense noch niet weder beghinnen te dooden,
datmense dan immers [219r] ten minsten wel diep inde
buerse taste en doese die oneyndelicke en onverwinlicke
schade wel betalen, diese alomme met sulcke outraje, cracht,
force en gewelt bedreven hebben, ter grooter blasphemie Gods
en ter injurie vanden Coninck.
Hey, hoe bijster moet dese Guesen dit spijten datse de
beelden, outaren, sacraments huysekens, diese so viandichlic
haten, wederomme sullen moeten doen maken en onse kercken
wederomme in heurlieder eersten staet stellen, en al op
heurlieder eygen costen. Ba, dat is doch het spijtichste van
allen! Ba, hieromme ist datse nu aldus gaen proncken met
lange neusen! Ba, nu ist: "Guesen lange neusen!". En bey, ic
wedde u, sij sullen heurlieder nu voortan wel wachten meer an
ons Catholicken beelden, outaren en andere helige kerckelicke
saken te commen, datse so sullen, vermaledide
Papenmartyriseerders, alst zijn! Datse thelsche vier
verslinden moet, ja, datse van peck, sulphur, swevel en terre
verbernen moeten! Ba soo siet.
Sachternoens seyde B. Cornelis: Ou, ba goeliens, ic hebbe
heden in mijn sermoon met het weder op richten der beelden,
outaren en andere godlicke saken so besich geweest, dat ic
geheel vergat te seggen, hoe dat onsen argsten, boosten
viant, dien Brederode, de moort gesteken is!
Ba, wij Catholijcken zijn emmers daer van eenen yselicken
Papen bloetdurstigen viant verlost deur Gods gratie. Ba, ic
hope dat hem Prince van Oranje daer an spegelen [219v]
sal.
Ba, byloo, soude ons lief Heere zijn vianden also beghinnen
met de doot te straffen, so souder noch hope an Vrancrijcke
zijn. Ba, mochte doch dien boosen Gods viant, dien Conde, ooc
de moort steken, datse beede in Nobis gat saten, onder
Lucifers steert, daerse behooren. Ba, ic hope dattet hooft
van de Guesen voor geloopen is, om den Hugenosen Coninc den
wech der hellen te bereeden.
Och wij Catholicken mogen wel een blijden vastenavont houden
en wel vroielick op en neer springen, ende laten de Guesen en
de Guesinnen trueren. Ou ba, die mogen nu den roucapproen wel
antrecken, en huylen en jancken gelijc honden. Ba, nu ist:
"Guesen lange nuesen". Ba, nu sal heurlieder het snotgat eens
leken of sypen en druypen, tegen alle het lachen en grijnen
datse de gansche weke te vooren gelachen en ghegrenen hebben,
om dat Conde des Paus ghelt gerooft ende des Paus volc
verslagen heeft, die hi den Coninc van Vrancrijck te hulpe
sant, en om dat hy Blois en Tours ingenomen en alle
geestelicke liens de kele af gesteken heeft. Sij mochtender
wel met lachen, versmachte Guesen en Guesinnen alst zijn! Ba,
datse nu weenen, huylen en jancken, snot ellen lanc, om dat
heuren Brederode de moort gesteken is. Ba so siet.
[wordt vervolgd]
|